Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp
Het lijdend voorwerp is het deel van de zin waarop de actie direct van toepassing is. Het lijdend voorwerp wordt ook wel direct object genoemd. Als je een zin in de lijdende vorm zet, wordt een lijdend voorwerp het onderwerp van die lijdende zin.
Voorbeelden:
- Alex verschuift de kast. (lijdend voorwerp)
- De kast wordt door Alex verschoven. (onderwerp van de lijdende zin)
Het meewerkend voorwerp is het deel van de zin waarop de actie indirect van toepassing is. Het wordt daarom ook indirect object genoemd.
voorbeelden:
Johan gaf zijn iPad aan Peter. (meewerkend voorwerp)
Waarom zou ik die lui vertellen wat ik vindt? (meewerkend voorwerp)
Het lijdend voorwerp
[1] Het lijdend voorwerp is het antwoord op de vraag wie/wat + gezegde + onderwerp:
- Hij pingde zijn vriendin.
- Waarom koopt hij steeds flut CD's?
[2] Een lijdend voorwerp kan bestaan uit een heel zinsdeel:
- Hij pingde zijn vriendin die op vakantie was.
- Waarom koopt hij steeds CD's die niemand goed vindt?
[3] Sommige werkwoorden hebben altijd een lijdend voorwerp bij zich. Die werkwoorden noem je overgankelijke werkwoorden. Voorbeelden zijn:
- maken
- geven
- zien
- stallen
[4] Er zijn ook werkwoorden die nooit een lijdend voorwerp verdragen. Die werkwoorden noem je onovergankelijke werkwoorden. Voorbeelden zijn:
- zitten
- groeien
- blaffen
- klimmen [5] Tenstlotte zijn er werkwoorden die soms wel en soms geen lijdend voorwerp hebben. Voorbeelden zijn:
- bewegen
- eten
- koken
- Hij pingde zijn vriendin.
- Waarom koopt hij steeds flut CD's?
[2] Een lijdend voorwerp kan bestaan uit een heel zinsdeel:
- Hij pingde zijn vriendin die op vakantie was.
- Waarom koopt hij steeds CD's die niemand goed vindt?
[3] Sommige werkwoorden hebben altijd een lijdend voorwerp bij zich. Die werkwoorden noem je overgankelijke werkwoorden. Voorbeelden zijn:
- maken
- geven
- zien
- stallen
[4] Er zijn ook werkwoorden die nooit een lijdend voorwerp verdragen. Die werkwoorden noem je onovergankelijke werkwoorden. Voorbeelden zijn:
- zitten
- groeien
- blaffen
- klimmen [5] Tenstlotte zijn er werkwoorden die soms wel en soms geen lijdend voorwerp hebben. Voorbeelden zijn:
- bewegen
- eten
- koken
(wie pingde hij?)
(wat koopt hij steeds?)
(wie pingde hij?)
(wat koopt hij steeds?)
Hij maakt mijn jas. (Hij maakt. kan niet)
Zij gaf mij een kus. (Zij gaf. kan niet)
Mijn moeder ziet alles. (Moeder ziet. kan niet)
Wij stalden onze fietsen bij de boom. (Wij stalden. kan niet)
Hij zit.
Die plant bloeit.
Dat hondje blaft.
Dat joch rende.
Johan beweegt zijn voet heen en weer.
Dat gebouw beweegt.
Marlies eet 's ochtends musli.
Wij eten in de kantine.
Stijn kookt vanavond pasta met spinazie.
Lisa kookt nooit.
Het meewerkend voorwerp
[1] Het meewerkend voorwerp is het antwoord op de vraag wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp:
- Hij pingde zijn vriendin ons idee.
- Waarom geeft hij mij steeds flut CD's?
[2] Je kan er ook gewoon aan of voor bij denken:
- Hij pingde (aan) zijn vriendin ons idee.
- Waarom geeft hij (aan) mij steeds flut CD's?
[3] Een meewerkend voorwerp kan bestaan uit een heel zinsdeel:
- Hij pingde zijn idee aan zijn vriendin die op vakantie was.
- Waarom geeft hij de vrienden die hij het aardigst vindt toch steeds flut CD's?
- Hij pingde zijn vriendin ons idee.
- Waarom geeft hij mij steeds flut CD's?
[2] Je kan er ook gewoon aan of voor bij denken:
- Hij pingde (aan) zijn vriendin ons idee.
- Waarom geeft hij (aan) mij steeds flut CD's?
[3] Een meewerkend voorwerp kan bestaan uit een heel zinsdeel:
- Hij pingde zijn idee aan zijn vriendin die op vakantie was.
- Waarom geeft hij de vrienden die hij het aardigst vindt toch steeds flut CD's?
(wie pingde hij ons idee?)
(wie geeft hij steeds flut CD's?)
(aan wie pingde hij ons idee?)
(aan wie geeft hij steeds flut CD's?)
'zijn vriendin die op vakantie was' is meewerkend voorwerp
'de vrienden die hij het aardigst vindt' is meewerkend voorwerp
Woordvolgorde
[1] Het meewerkend voorwerp komt voor het lijdend voorwerp.
[2] als er aan of voor voor staat mag het meewerkend voorwerp ook na het lijdend voorwerp komen.
[3] Als het lijdend voorwerp 'het' is, komt het het meewerkend voorwerp er altijd na.
[2] als er aan of voor voor staat mag het meewerkend voorwerp ook na het lijdend voorwerp komen.
[3] Als het lijdend voorwerp 'het' is, komt het het meewerkend voorwerp er altijd na.
Hij pingde zijn vriendin ons idee.
Hij pingde ons idee aan zijn vriendin.
Hij zei het mij gisteren.





